#11 Click to preview P-40N  1945-1950 Part 2
#9 Click to preview New: Fokker T.V 'Luchtkruiser'
#7 Click to preview  Grumman TBM Avenger MLD/RNethNavy
 

HISTORIE/HISTORY
De Militaire Luchtvaart van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger was reeds in de dertiger jaren een afnemer van vliegtuigen van Curtiss geweest. De Curtiss P-6 was tot 1938 als jager in dienst geweest. In 1940 werden er ter versterking van de verdediging van Nederlands Indië 20 respectievelijk 24 toestellen van het type Curtiss H-75 A7 “Hawk” en Curtiss CW-21B “Interceptor” in gebruik genomen. Later aangevuld met 71 Brewster B-339 C/D. Deze toestellen verzorgde op 8 december 1941 de jager inbreng van het RNEIAAF bij het uitbreken van de vijandelijkheden in de Pacific. Al snel zou men kennis gaan maken met de opvolger van de “Hawk” de diverse typen van de Curtiss P-40E/N en door de RAAF als Kittyhawk F.Mk.III/IV werd aangeduid. Binnen de ML werd als aanduiding zowel “P-40” als “Kittyhawk” gebruikt.

Nederlands-Indië
In januari 1942 maakte men in Nederlands-Indië voor het eerst kennis met de Curtiss P-40-E. Deze kennismaking kwam voort uit de plaatsing van het 17th Pursuit Squadron van de United States Army Air Force op het vliegveld Ngoro in Oost-Java. Dit ter versterking van de luchtverdediging op Java. Op 22 februari vertrokken uit de haven van Perth de Amerikaanse vliegtuigtender Langley (AV-3) en het schip de Seawitch. Tot de versterkingen die zij vervoerden behoorden 59 Curtiss P-40-E’s die uiteindelijk beschikbaar kwamen voor eenheden van de Militaire Luchtvaart van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger en de Royal Air Force, op Java. De Langley waar op het dek 32 vliegklare toestellen stonden werd op 27 februari 1942 aangevallen door zestien Japanse Mitsubishi G4M Betty bommenwerpers van de Takao Kókútai bijgestaan door A6M2 Navy-O’s van de 3de en de Tainan Kókútai. De Langley wist de eerste aanval door goed manoeuvreren te weerstaan. De tweede aanval onder leiding van luitenant Jiró Adachi zorgde echter voor vijf directe hits op het schip waardoor het in brand vloog en later op de dag zonk. De Seawitch daarentegen wist op 28 februari veilig de haven van Tjitatjap te bereiken. De 27 in kratten verpakte toestellen werden aan land gezet. Er werden er twaalf per trein naar Tasikmalaja vervoerd de overige vijftien gingen op de zelfde wijze naar Bandoeng. In Bandoeng werden de in kratten verpakte vliegtuigen naar een plek buiten het vliegveld Andir gebracht opdat zij daar zonder de hinder van luchtaanvallen opgebouwd konden worden. Uiteindelijk was het de bedoeling om I en II Vliegtuig Groep IV met deze toestellen uit te rusten. 1ste Luitenant R.(Ricardo) A.D. Anemaet van het gereactiveerde I VLG IV en 1ste luitenant W.(Willem) Boxman van 2 VLG IV werden op 3 maart als commandant van de respectievelijke eenheden aangewezen. 2 VLG IV kreeg de toestellen ter beschikking die oorspronkelijk aan No. 605 Squadron RAF waren toegewezen. Voor de opbouw werkten monteurs van VLG IV samen met de Technische Dienst op Andir en ander beschikbaar personeel met als doel om de toestellen zo snel mogelijk operationeel beschikbaar te krijgen. Op 7 maart was men zover dat er minimaal drie [Anemaet herinnerde zich vier toestellen] op Andir konden starten voor een proefvlucht boven Bandoeng. De vliegers waren in ieder geval 1ste luitenant R.(Ricardo) A.D.Anemaet (commandant van I VLG IV), sergeant majoor A.(Aad) L. Clignett, (voormalig invlieger bij de fabriek op Maospatie) en sergeant N. (Nico) Dejalle (ook op Maospatie betrokken bij het invliegen voor de fabriek). De overige toestellen waren reeds in een vergevorderde staat van opbouw. Zij stonden nabij de toegangsweg naar het vliegveld. Alle inspanningen waren echter voor niets geweest want nog dezelfde dag kreeg men opdracht om de toestellen zonder vuur te vernietigen. Alle versterkingen ten spijt kon men echter het verloop van de oorlog niet ombuigen in het voordeel van de Geallieerden. Na de capitulatie op 8 maart 1942 zijn op Andir door de Japanse leger luchtmacht nog zeker drie P-40E’s vliegklaar gemaakt. Begin februari 1942 werd besloten om de vliegscholen van de Militaire Luchtvaart en de Marine Luchtvaartdienst naar Australië over te plaatsen. Later aangevuld met leden van het Koninklijk Nederlands Indische Luchtvaart Maatschappij, en andere leden van het ML-KNIL. Na de capitulatie vormde zij de basis voor Nederlands-Indische bijdrage aan de oorlogsinspanning vanuit de lucht om de Pacific waaronder Nederlands-Indië te heroveren.
Lees verder in de Profile

The Military Aviation of the Royal Netherlands Indies Army (RNEIAAF) had been a Curtiss customer since the early Thirties. The Curtiss P-6 had been in service until 1938; in 1940 twenty Curtiss H-75-A7 Hawks and 24 Curtiss CW-21B Interceptors were delivered. Together with 71 Brewster B-339 C/D aircraft, these constituted the RNEIAAF fighter force at the outbreak of hostilities in the Pacific. Soon, the Hawks successor, the P-40. In the ML this type was known both as P-40N and ‘Kittyhawk’. By the RAAF named as Mk.F.III/IV Kittyhawk.

The Netherlands East Indies.
In January 1942 the Curtiss P-40E first appeared in the Netherlands Indies when the 17th Pursuit Squadron was stationed at Ngoro in East Java to reinforce the Java air defense. More reinforcements were on their way. On 22 February the U.S. airplane tender Langley, AV-3, in company with the U.S.S. Seawitch left Perth in Australia for Java. On board were 59 P-40Es destined for units of the Military Aviation of the RNEIAAF and the RAF. On 27 February Langley was attacked by 16 Japanese Mitsubishi G4M Betty bombers of the Takao Kokutai, escorted by A6M2 Zeroes of the Third and Tainan Kokutai. The first attack failed because Langley managed to dodge the bombs, but a second attack led by Lieutenant Jiró Adachi resulted in 5 direct hits, setting the Langley ablaze. She sank later that day. Seawitch escaped and safely unloaded 27 crated airplanes at Tjitatlap. Twelve were transported by train to Tasikmalaja, 15 to Bandoeng. They were brought to a remote corner just outside of Andir airbase to be erected. The planes were destined for I and II Vliegtuig Groep IV. On 3 March lt. R.A.D. Anemaet was given command of I VLG IV and lt. W. Boxman was given command of II VLG IV. The latter unit was assigned the planes erected for No.605 Squadron RAF. At Andir VLG IV ground crew worked with Technical Services and available personnel in order to get the planes in action as quickly as possible. On 7 March three planes (lt. Anemaet recalls four) were available for a test flight over Bandoeng. Pilots were lt. Anemaet, and former test pilots sgt. maj. A.L. Clignett and sgt. N. Dejalle. The remaining planes were almost ready. However, the work was to no avail as orders were received the same day to destroy the planes ‘without smoke or fire’. After the capitulation the Japanese were able to repair at least three P-40Es. The reinforcements were not able to influence the course of the war. The flying school was evacuated to Australia, followed by (civilian) KNILM pilots and other RNEIAAF personnel, in order to form the nucleus of a force to re-conquer the Netherlands East Indies.
Read more in the Profile




P-40N C3-510


P-40N Blue patrol


Izzy The Injun just before his crashlanding

Home  |  Disclaimer  |  info@dutchprofile.nl